Begrippenlijst Corporate Finance

Aandeelhouderswaarde: Ondernemingswaarde verminderd met het rentedragend vreemd vermogen en vermeerderd met zelfstandige vruchtdragers.

Adjusted Present Value (APV): Een variant op de DCF waarderingsmethode, waarbij eerst de waarde van een onderneming wordt bepaald indien deze uitsluitend met eigen vermogen wordt gefinancierd. Vervolgens kan door substitutie van eigen vermogen door rentedragend vreemd vermogen de waarde van de onderneming worden verhoogd, mits de op het rentedragend vreemd vermogen te betalen rente aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting ( de zogenaamde tax shield) en de vermogensstructuur nog niet zijn optimale verhouding heeft bereikt. Voordeel van deze methode boven DCF is dat de waarde(creatie) d.m.v. financiering met rentedragend vreemd vermogen afzonderlijk wordt getoond.

Voor het bepalen van de economische waarde van het eigen vermogen wordt van de ondernemingswaarde de economische waarde van het rentedragend vreemd vermogen afgetrokken.

Arbitrage: Arbitrage is een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Het is rechtspraak door arbiters en vervangt een rechterlijke procedure. Vonnissen zijn bindend voor alle partijen en kan voor tenuitvoerlegging vatbaar worden verklaard door middel van een verlof tot tenuitvoerlegging van de voorzieningenrechter.

Asset-based waarderingsmethoden: bij deze methoden wordt uitgegaan van de waarde van de op de balans opgenomen activa en passiva. Onder deze methoden vallen de intrinsieke waarde en liquidatiewaarde.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF): Fiscale faciliteit in de Successiewet die ziet op de bedrijfsopvolging door overlijden of schenking van een onderneming of van aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang. Schenking van een onderneming of besloten vennootschap tot EUR 1.000.000 ondernemingsvermogen is op verzoek voorwaardelijk vrijgesteld van schenk- of erfbelasting en het meerdere voor 83%. Hiervoor geldt wel een aantal voorwaarden waaraan moet zijn voldaan.

Bedrijfswaardering: Proces waarin met behulp van waarderingsmethoden en -technieken aan een bedrijf of onderneming een waarde wordt toegekend.

Belichaamde goodwill (juridisch): goodwill die onverbrekelijk met de vermogensbestanddelen van de onderneming is verbonden, zoals met (de ligging van) een pand, een merknaam of een handelsnaam.

Beta: Beta is een statistische maatstaf die weergeeft in welke mate het rendement van een aandeel of beleggingsportefeuille kan stijgen of dalen als het rendement van de benchmark stijgt of daalt. Met andere woorden, het is een maatstaf voor de correlatie tussen het rendement van een individueel aandeel of fonds met een benchmark en geeft uitdrukking aan het risico ten opzichte van de benchmark. Beta kan positief of negatief zijn, de beta van de benchmark is per definitie 1.

Beschouwer: Degene vanuit wiens gezichtspunt de waarde van de onderneming wordt bepaald.

Beurswaarde: Koers van (vrij op de beurs verhandelbare) aandelen vermenigvuldigd met het aantal uitstaande aandelen.

Bindend advies: Bindend advies is een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Een bindend adviesprocedure vervangt de procedure voor de rechter, maar mondt niet uit in een vonnis, dat ten uitvoer kan worden gelegd. Bindend adviseurs geven een bindend advies, waarvan partijen hebben afgesproken dat te zullen naleven.

Bruto werkkapitaal: Voorraden en (niet rentedragende) vorderingen.

Build up methode: Methode om aan de hand van op- en / of afslagen de kostenvoet van het eigen vermogen te bepalen. In formule: E(r) = Rf + Rpm + Rps + Rpu

waarin:

E(r) = Verwachte kostenvoet voor het eigen vermogen.
Rf = Risk free rate, risicovrij rendement, meestal wordt hiervoor het rendement op staatsleningen genomen met een looptijd van minimaal 10 jaar.
Rpm = Marktrisicopremie, dit is de premie (rendement) die men eist voor het investeren in aandelen boven het risicovrije rendement.
Rps = Premie voor het investeren in kleinere bedrijven.
Rpu = Premie voor niet-systematisch risico. Dit is de premie voor het specifieke risico dat kleeft aan de investering in het bedrijf. Deze premie kan opgebouwd zijn uit meerdere elementen bijvoorbeeld:

  -  afhankelijkheid van de eigenaar

  -  branche risico

  -  ongunstige verhouding vaste/variabele kosten

  -  afhankelijkheid van beperkte groep afnemers

Capital Asset Pricing Model (CAPM): Model uit een financiële beleggingstheorie om de rendementseis te bepalen, waarbij deze eis is opgebouwd uit een zogenaamd risicovrij rendement en een risico-opslag waarin het marktrisico is vervat. Het gaat ervan uit dat een hoger rendement slechts kan worden behaald door meer risico te accepteren. Overigens treedt er binnen een goed gediversifieerde portefeuille risicodemping op, doordat niet alle vermogenstitels (perfect) gecorreleerd zijn. De maatstaf van risico is beta, dat staat voor het systematisch risico. In formule: E(r) = Rf + ß x Rpm

waarin:

E(r) = Verwacht rendement voor een specifiek aandeel (vermogenskosten)
Rf = Risk free rate ( meestal staatsobligaties met een lange looptijd)
ß = Beta voor het specifieke aandeel
Rpm = Marktrisicopremie

Cash flow based waarderingsmethoden: Waarderingsmethoden waarbij verwachte geldstromen contant worden gemaakt tegen een vermogenskostenvoet die het risico weerspiegelt dat aan de betreffende geldstromen kleeft. Voorbeelden zijn Discounted Cash Flow (DCF), Adjusted Present Value (APV) en Cash Flow to Equity (CFE).

Cash Flow to Equity (CFE): Geldstroom toekomend aan aandeelhouders nadat overige vermogensverschaffers zijn voldaan. Vrije geldstroom na mutatie rentedragend vreemd vermogen en rente na vennootschapsbelasting.

Collaborative divorce / Overlegscheiding: In overleg wordt een echtscheidingsconvenant opgesteld in samenwerking met een deskundig team van advocaten, een coach en een financiële expert.

Contante waarde: Waarde van een gegeven geldstroom in heden, verleden of toekomst berekend naar het waarderingsmoment.

Corporate litigation: het voorkomen en oplossen van geschillen tussen aandeelhouders, tussen aandeelhouders en vennootschappen of tussen vennootschappen op bestuurlijk en/of financieel vlak.

Cost of Equity: kostenvoet eigen vermogen.

Debt to equity ratio: De debt to equity ratio geeft inzicht in de verhouding rentedragend vreemd vermogen versus eigen vermogen, beide op marktwaarde gebaseerd.

Disconteren: Individuele jaarlijkse geldstromen tegen een vermogenskostenvoet contant maken.

Disconteringsfactor: Factor waarmee een gegeven geldstroom wordt vermenigvuldigd om de contante waarde ervan te berekenen, en welke wordt berekend op basis van de (reciproke) van de vermogenskostenvoet verbonden aan de betreffende geldstroom.

Earn-out: dat deel van de koopprijs waarvan de omvang en de verschuldigdheid afhankelijk is van bepaalde door koper en verkoper overeengekomen parameters (bijv. door de doelwitvennootschap in de periode na overname te behalen resultaat).

EBIT: Earnings Before Interest and Tax, ofwel het bedrijfsresultaat.

EBITD: Earnings Before Interest Tax and Depreciation, ofwel het bedrijfsresultaat voor afschrijving van materiële vaste activa.

EBITDA: Earnings Before Interest Tax, Depreciation and Amortization, ofwel het bedrijfsresultaat voor afschrijving van materiële vaste activa en amortisatie van immateriële vaste activa.

Economische schade: gederfde winst, geleden verlies, teloorgegane goodwill, vermogensschade.

Economic Profit: NOPLAT na aftrek van vermogenskosten over het geïnvesteerd vermogen, in formule:

NOPLAT – WACC x Invested Capital

Economische waarde: Contante waarde van de aan het object verbonden in- en uitgaande geldstromen, rekening houdend met het moment waarop deze geldstromen plaatsvinden en het risico dat aan deze geldstromen is verbonden.

EVA: Economic Value Added, waarderingsmethodiek ontwikkeld door Stern & Stewart, gebaseerd op de contante waarde van de zogenaamde economic profits.

Enterprise value: (i) De som van de met een gewogen gemiddelde kostenvoet contant gemaakte vrije geldstromen, (ii) de som van de met een vermogenskostenvoet eigen vermogen unlevered contant gemaakte vrije geldstromen, vermeerderd met de som van de met een vermogenskostenvoet eigen vermogen unlevered contant gemaakte tax shields.

Excess cash: Liquide middelen die niet voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk zijn.

Forensic valuation: Het in civiel-, bestuurs- of strafrechtelijke zaken bepalen van de economische waarde van belangen in ondernemingen en/of het bepalen van de omvang van economische schade in geval van benadeling door wanprestatie of onrechtmatig handelen.

Free Cash Flow / Vrije geldstroom: De geldstroom die beschikbaar is voor de verschaffers van eigen en rentedragend vreemd vermogen, bestaande uit de som van Net Operating Profit Less Adjusted Taxes, de mutatie voorzieningen, de investeringen in netto werkkapitaal, en de netto investeringen in vaste activa.

   EBIT ( Operationeel resultaat voor belastingen en rente)

- /-            Belastingen over EBIT

—————————————————————————————–

=              NOPLAT (Netto Operationeel Resultaat Na Belastingen)

+/+           Afschrijvingen

-/-             Investeringen in vaste activa

+/-            Mutatie netto werkkapitaal

+/-            Mutaties voorzieningen

—————————————————————————————–

=               Free Cash Flow  (Vrije Geldstroom)

Geïnvesteerd vermogen
Het totaal van het eigen en rentedragend vreemd vermogen, (geïnvesteerd in operationele activa), afhankelijk voor het doel waarvoor het wordt gebruikt, gemeten naar marktwaarde, economische waarde of boekwaarde.

Geschillenregeling: wettelijke regeling waarbij de uitstoting of uittreding van een aandeelhouder wordt geregeld (zie Uitstotingsregeling en Uittredingsregeling).

Gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet: het gemiddelde van de met (naar marktwaarde van) het eigen en rentedragend vreemd vermogen gewogen vermogenskostenvoeten. In formule:

WACC = Kel x EV / TV + Kvv x (1-T) x VV / TV

waarin:

WACC  = Weighted Avarage Cost of Capital

Keu       = Kostenvoet eigen vermogen unlevered

Kvv       = Kosten vreemd vermogen (rente)

Kel        = Kostenvoet eigen vermogen levered

EV         = Marktwaarde van het eigen vermogen

VV        = Marktwaarde van het rentedragend vreemd vermogen

TV         = Het totaal van naar marktwaarde gemeten eigen en rentedragend vreemd vermogen

T            = (marginaal) belastingtarief

Goodwill: (i) Verschil tussen transactieprijs en boekwaarde van het eigen vermogen (ii) Verschil tussen economische waarde en boekwaarde van het eigen vermogen.

Huwelijkse voorwaarden: schriftelijke afspraken die voorafgaand maar ook tijdens het huwelijk kunnen worden gemaakt over de verdeling van het vermogen en inkomen van beide huwelijkspartners.

Internal Rate of Return (IRR): Het rendement op een investering in een (eeuwigdurend) project waarbij de contante waarde van de geldstromen gelijk is aan de initiële investering. Uitgegaan wordt van herinvestering van vrij(g)e(komen) geldstromen in projecten met vergelijkbare rendementen. De herbeleggingsrente is over het algemeen echter lager dan IRR.

Intrinsieke waarde: Aandeelhouderswaarde bepaald door het zichtbaar eigen vermogen van een onderneming volgens de jaarrekening, eventueel na aanpassing voor stille reserves.

Kapitaliseren: Een geldstroom eeuwigdurend contant maken.

Kel: Kostenvoet eigen vermogen levered. Kostenvoet eigen vermogen als de onderneming niet alleen gefinancierd is met eigen vermogen, doch ook met rentedragend vreemd vermogen.

Keu: Kostenvoet eigen vermogen unlevered. Kostenvoet eigen vermogen indien de onderneming volledig (d.w.z. zonder rentedragend vreemd vermogen) is gefinancierd met eigen vermogen.

Koers/winst verhouding: De koers van een aandeel gedeeld door de netto winst per aandeel.

Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (LRGD): een onafhankelijke stichting die zich ten doel stelt een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van het deskundigenbewijs in de rechtspleging door het beheren van een openbaar register met gerechtelijke deskundigen die voldoende toegerust zijn om adequaat op te kunnen treden in de rechtspleging.

Liquidatiewaarde: Ondernemingswaarde bepaald door de verwachte netto opbrengst van de individuele activa van de onderneming bij (veronderstelde) liquidatie, na aftrek van schulden en liquidatiekosten.

Market Value (IVSC): Het geschatte bedrag waartegen een activum of passivum tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marketing in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld.

Marktrisicopremie: De premie (rendement) die beleggers eisen, boven het risicovrij rendement, voor het beleggen in aandelen van beursgenoteerde bedrijven. Deze marktpremie wordt gebruikt voor het bepalen van een vermogenskostenvoet volgens het CAPM en de Build up methode.

Meerderheidsbelang: Belang in (de aandelen van) een onderneming met meer dan 50% van de stemrechten.

‘Mid-year’ conventie: Een conventie in de ‘discounted cash-flow’ methode waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de verwachte geldstromen gemiddeld beschouwd halverwege het jaar optreden en op die basis contant gemaakt kunnen worden.

Minderheidsbelang: Belang in (de aandelen van) een onderneming met minder dan 50% van de stemrechten.

Minority discount / Minderheidskorting: Een korting berekend op de ‘pro rata parte’ waarde van de (aandelen in) een onderneming bij een minderheidsbelang in de onderneming.

Moment van waarderen: (i) Periode waarin de waarderingswerkzaamheden worden uitgevoerd, (ii) Datum waarop de laatste waarderingswerkzaamheden zijn afgerond.

Multiple: Een verhouding (ratio) tussen twee getallen, waarmee getracht wordt een waardering voor een onderneming uit te drukken, veelal gebaseerd op een prijs enerzijds en een resultaat anderzijds (koers/winst verhouding, enterprise value / EBIT(DA).

Multiple based waarderingsmethoden: Waarderingsmethoden op basis van multiples van (i) vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen, (ii) gerealiseerde transacties in (beursgenoteerde) ondernemingen.

Nederlands Instituut voor Register Valuators (NIRV): de beroepsvereniging voor specialisten in ondernemingswaardering

Netto contante waarde: Waarde van een toekomstige netto geldstroom berekend naar het waarderingsmoment.

Netto werkkapitaal: Voorraden en (niet-rentedragende) vorderingen verminderd met de niet-rentedragende schulden.

NOPLAT: ‘Net Operating Profit Less Adjusted Taxes’ of het bedrijfsresultaat na aftrek van over dit resultaat verschuldigde belastingen.

Onbelichaamde goodwill (juridisch): De onbelichaamde goodwill blijft in de regel verbonden aan de persoon zelf, zolang het beroep wordt uitgeoefend. De onbelichaamde goodwill wordt ook wel ‘persoonlijke’ goodwill genoemd. Persoonlijke goodwill wordt op haar beurt ook wel aangeduid als de winstmogelijkheid van een onderneming of vrij beroep voor zover deze te danken is aan de persoon van de ondernemer of de uitoefenaar van een vrij beroep, niet bij zijn leven overdraagbaar is en bij zijn dood tenietgaat.

Ondernemingswaarde: (i) De som van de met een gewogen gemiddelde kostenvoet contant gemaakte vrije geldstromen, (ii) de som van de met een vermogenskostenvoet eigen vermogen unlevered contant gemaakte vrije geldstromen, vermeerderd met de som van de met een vermogenskostenvoet eigen vermogen unlevered contant gemaakte tax shields.

Onrechtmatige daad (6:162 lid 2 BW): Een onrechtmatige daad is (i) een inbreuk op een recht, of (ii) een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, of (iii) een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Is schade het gevolg van een onrechtmatige gedraging van een persoon en is deze aan hem toe te rekenen, dan moet hij de schade vergoeden.

Opportunity cost of capital: Het verwacht rendement van het beste niet gekozen alternatief met een vergelijkbaar risicoprofiel.

Overtollige liquide middelen: Liquide middelen die niet voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijk zijn.

Prognoseperiode: De periode waarbinnen per tijdseenheid (jaar, kwartaal, …) een specifieke prognose wordt opgesteld van resultaten en balansen en hieruit voortvloeiende geldstromen.

Profit based waarderingsmethoden: Waarderingsmethoden op basis van verwachte nettowinsten, zoals de (verbeterde) rentabiliteitswaarde methode.

Rapportagedatum of ook moment van waardering: Datum waarop het waarderingsrapport is opgemaakt.

Rendementseis of vermogenskostenvoet: Percentage dat uitdrukking geeft aan het risicoprofiel dat aan de geldstromen van het object is verbonden.

Rendementswaarde methode: Waarderingsmethode gebaseerd op de contante waarde van een constante, eeuwigdurende dividendstroom. De rendementseis is gebaseerd op het dividendrendement voor vergelijkbare beursgenoteerde aandelen. Deze methode is met name bedoeld voor kleine minderheidsbelangen of aandelen die als belegging in de onderneming worden aangehouden en waarvan slechts beperkte informatie beschikbaar is.

Rentabiliteitswaarde: Aandeelhouderswaarde bepaald door de verwachte (genormaliseerde) toekomstige nettowinst te delen door een rendementseis. Als benadering voor deze toekomstige nettowinst wordt door accountants veelal een gemiddelde genomen van (genormaliseerde) nettoresultaten uit het verleden.

Restwaarde: Waarde van de geldstromen volgens de Discounted Cashflow Methode berekend voor de periode volgend op de prognoseperiode, waarbij in de zogenaamde ‘restperiode’ wordt uitgegaan van een stabiele situatie (geen of constante handhaafbare groei van de geldstromen).

Risicopremie: Het additionele rendement dat een vermogensverschaffer verwacht wegens het beleggen met een hoger risico.

Risicovrij rendement: Het rendement dat een vermogensverschaffer verwacht op een risicovrije langjarige belegging. Als proxy wordt doorgaans de 10 of 30-jarige staatsobligatie gebruikt.

Return On Invested Capital (ROIC): Rendement op geïnvesteerd vermogen, gedefinieerd als

NOPLAT / Invested Capital,

waarin:

NOPLAT: Net Operating Profit Less Adjusted Taxes

Invested Capital: In operationele activa geïnvesteerd vermogen

Tax shield / Belastingschild: Belastingbedrag dat wegens de aftrekbaarheid van kosten van het rentedragend vreemd vermogen kan worden teruggevorderd.

Scenarioperiode: De periode waarbinnen per tijdseenheid (jaar, kwartaal, …) een specifieke prognose wordt opgesteld van resultaten en balansen en hieruit voortvloeiende geldstromen.

Schadestaatprocedure: De rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, begroot, voor zover hem dit mogelijk is, de schade in het vonnis. Indien begroting in het vonnis hem niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat. De tenuitvoerlegging van een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, vangt aan met de betekening aan de wederpartij van een staat waarin het beloop van de schade waarvan de vereffening wordt gevorderd, gespecificeerd wordt opgegeven.

Systematisch risico: Het verschil tussen systematisch en niet systematisch risico wordt tot uitdrukking gebracht in het CAPM model. Binnen het model wordt een relatie gelegd tussen de ontwikkelingen van de totale markt (de totale beurs) en de koers van het aandeel van een specifiek bedrijf. De gevoeligheid van het bedrijf voor de ontwikkeling van de totale markt komt tot uitdrukking in de Beta en is daarmee een maatstaf van systematisch risico. Het model verondersteld verder dat beleggers in staat zijn gediversifieerde portefeuilles samen te stellen waardoor zij geen vergoeding krijgen voor het lopen van niet-systematisch risico.

Uitkoopregeling: Wettelijke regeling die het grootaandeelhouders(>95%) mogelijk maakt kleine aandeelhouders uit te kopen.

Uitstoting(sregeling): Onderdeel van de wettelijke geschillenregeling. Indien een aandeelhouder door zijn gedragingen het belang van de vennootschap in zoverre schaadt dat het niet redelijk is dat hij zijn aandelen kan behouden, kan hij verplicht worden zijn aandelen aan medeaandeelhouders te verkopen.

Uittredingsregeling: Onderdeel van de wettelijke geschillenregeling. In geval een aandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad door gedragingen van zijn medeaandeelhouders dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zijn aandelen blijft behouden, kan hij de medeaandeelhouders verplichten dat zij zijn aandelen kopen.

Value Drivers: Dit betreffen factoren die in belangrijke mate de waarde van de onderneming bepalen of beïnvloeden. Deze Value Drivers (waardestuwende factoren) kunnen zowel van financiële als niet-financiële aard zijn.

Verbeterde IRR: Bij de verbeterde IRR berekeningen wordt er verondersteld dat de vrij(g)e(komen) geldstromen belegd worden tegen een zogenaamde herbeleggingsrente, (meestal) de vermogenskostenvoet van het project.

Verbeterde rentabiliteitswaarde: Rentabiliteitswaarde gecorrigeerd voor een tekort / overschot aan eigen vermogen met rentelasten behorend bij het genormaliseerd eigen vermogen.

Vermogenskostenvoet of rendementseis: Percentage dat uitdrukking geeft aan het risicoprofiel dat aan de geldstromen van het object is verbonden.

Verrekenbeding: een afspraak tussen partners om inkomsten en/of vermogen met elkaar te verrekenen.

Voorlopig deskundigenbericht: Het voorlopig deskundigenbericht kan voorafgaand aan een lopende procedure op verzoek van een partij worden opgesteld, bijvoorbeeld om de kansen in een procedure in te schatten voordat die aanhangig wordt gemaakt. Ook kan een voorlopig deskundigenbericht worden gevraagd, omdat niet kan worden afgewacht tot de gerechtelijke procedure in het stadium is gekomen waarin de rechtbank een deskundige benoemt of omdat een van de partijen een contra-expertise wenst.

Vrije geldstroom: De geldstroom die beschikbaar is voor de verschaffers van eigen en rentedragend vreemd vermogen, bestaande uit de som van Net Operating Profit Less Adjusted Taxes, de mutatie voorzieningen, de investeringen in netto werkkapitaal, en de netto investeringen in vaste activa.

Waarde in het economisch verkeer: Begrip dat in diverse wetten wordt gehanteerd. Volgens Hof ’s Gravenhage (15 juni 1981, VN 1982, pag. 1759) de prijs voor een object die op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn geboden/betaald.

Waarderingsmoment: Peildatum van de waardebepaling.

Waarderingsobject: Aanduiding van een te waarderen onderneming, project, aandelenbelang, dan wel andere vermogenstitels of op andere wijze juridisch en economisch identificeerbaar te waarderen object.

Wanprestatie: het door de schuldenaar toerekenbaar niet, niet juist of niet op tijd nakomen van contractuele verplichtingen.

Weighted Average Cost of Capital (WACC): zie Gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet.

‘Year-end’ conventie: Een conventie in de ‘discounted cash-flow’ methode waarin wordt aangenomen dat de verwachte geldstromen per jaareinde optreden en op die basis contant worden gemaakt.

Zelfstandige vruchtdragers: Activa in een onderneming die niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, en derhalve niet bedrijfsgebonden zijn.